Kabinet wil degressieve opbouw

De hervorming van het pensioenstelsel komt nu echt dichterbij. Het kabinet stelt namelijk in de Perspectiefnota te willen dat iedereen gelijktijdig in 2020 overstapt naar een actuarieel neutrale opbouw. Ook ziet het kabinet 5 mogelijke pensioencontracten om uit te kiezen. Ook dat is volgens het kabinet per 2020 haalbaar. Een dubbele overstap kan volgens het kabinet gunstig zijn om transitieproblemen te verzachten.Volgens het kabinet vraagt de veranderende samenleving en arbeidsmarkt om fundamentele aanpassingen in het pensioenstelsel. Daarnaast wil het kabinet nu echt iets gaan regelen voor de werkenden die te veel of te weinig pensioen opbouwen. Het volgende kabinet gaat het uitvoeren, maar duidelijk is dat iedereen moet overstappen. Het bij het oude laten kan niet meer.

Nota nieuwe stap in discussie
Met de Perspectiefnota Toekomst Pensioenstelsel schetst het kabinet ideeën voor een nieuw pensioenstelsel in 2020. De nota heeft een lange voorgeschiedenis en is pas het middenstuk. Op 8 juli stuurde het kabinet deze nota naar de Tweede Kamer. Dit is een vervolg op de Hoofdlijnenbrief van 6 juli 2015 en het Werkprogramma herziening pensioenstelsel van 18 december 2015. De nota bouwt verder op de analyses van de SER in het Advies Toekomst Pensioenstelsel van 20 februari 2015 en de Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling van 20 mei 2016. Volgens de Perspectiefnota kan in een nieuw pensioenstelsel iedereen die werkt voldoende pensioen opbouwen. Het stelsel sluit beter aan bij de arbeidsmarkt, is begrijpelijker en duidelijk over wat mensen kunnen verwachten. In het stelsel kunnen mensen vertrouwen hebben, dat is het idee. Collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling blijven belangrijke uitgangspunten. Het kabinet schetst mogelijkheden, en laat de keuzes over aan het volgende kabinet. De verdere uitwerking en mogelijke consequenties moeten nog volgen. De vier hoofdlijnen zijn al wel verder uitgewerkt.

Hoofdlijn1. Krijgen alle werkenden een goed pensioen?
Het kabinet wil dat alle werkenden een toereikend pensioen opbouwen. Zo hebben ze bij pensionering geen grote terugval in hun inkomen. Het kabinet wil aandacht voor werknemers die geen pensioen via hun werkgever opbouwen, voor flexwerkers en zelfstandigen. Maar ook voor werkenden die veel pensioen opbouwen. Te veel sparen kan leiden tot welvaartsverlies. Beleidsopties zijn in kaart gebracht. Van een pensioenplicht voor bijvoorbeeld zelfstandigen tot maatregelen om minder pensioen op te bouwen. Bijvoorbeeld voor werknemers die zowel vermogen opbouwen in hun pensioen als in hun eigen woning. Het is van maatschappelijk belang om ook te zorgen dat zelfstandigen een pensioen gaan opbouwen. Wij vinden het daarom een positieve ontwikkeling dat het kabinet hier meer aandacht aan besteedt.

Hoofdlijn 2. Hoe schaffen we de doorsneesystematiek af?
Het kabinet wil in 2020 overstappen op een actuarieel neutrale pensioenopbouw. Dat sluit beter aan bij de arbeidsmarkt van de 21e eeuw. Dit lijkt een oplossing voor de discussie over subsidie van jong naar oud. Het maakt een nieuw pensioencontract mogelijk en biedt meer ruimte voor keuzevrijheid. De doorsneeopbouw knelt bij een uitkeringsovereenkomst voor mensen die niet hun hele loopbaan deelnemen. En bij premieregelingen speelt de positie van ouderen op de arbeidsmarkt een rol. Dat komt omdat de premies oplopen met de leeftijd. Dat is ongunstig voor ouderen die al kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt. Het kabinet wil naar degressieve pensioenopbouw met leeftijdsonafhankelijke premies. De stap naar de nieuwe systematiek moet voor alle pensioenregelingen tegelijk worden gezet. Zowel voor uitkerings- als voor premieregelingen. Iedereen gelijktijdig laten overstappen is inderdaad een goed idee, omdat je anders onwenselijke (gedrags)effecten krijgt.

Hoofdlijn 3: Welke nieuwe pensioenovereenkomsten komen er?
Alle pensioenregelingen moeten van het kabinet worden vervangen door een nieuwe pensioenovereenkomst. Sociale partners, werkgevers en beroepsgroepen kunnen kiezen uit 5 pensioenovereenkomsten. Deze zijn ontleend aan de SER-analyse. Hieronder een overzicht, in de volgorde van de Perspectiefnota.


SER-
variant
Mogelijke pensioenovereenkomsten Kenmerken
IV-A Persoonlijk pensioenvermogen waarin ook risicovoller kan worden doorbelegd na pensionering • Keuze tussen vaste of variabele uitkering op pensioendatum
• Variabele uitkering varieert met resultaat uit beleggingen, sterfte en levensverwachting
• De risico’s worden individueel gedragen; alleen sterfterisico wordt collectief gedeeld
IV-B Persoonlijk pensioenvermogen met risicodeling binnen huidige generaties • Als IV-A
• Hier worden ook beleggingsrisico’s binnen huidige generaties gedeeld gedeeld
IV-C Persoonlijk pensioenvermogen met risicodeling binnen huidige en toekomstige generaties • Als IV-B
• Hier worden met een collectieve buffer beleggingsrisico’s over alle huidige en toekomstige generaties gedeeld
I-A Huidige uitkeringsovereenkomst • Deelnemer bouwt pensioenaanspraken op
• Zekerheidsmaat volgens huidige FTK
• Maar met degressieve pensioenopbouw
I-B Ambitieovereenkomst • Deelnemer bouwt pensioenaanspraken op
• Aanspraken zijn volledig voorwaardelijk en worden verdisconteerd met risicovrije rente
• Schokken in maximaal 10 jaar spreiden
• De varianten IV-A en IV-B zijn vanaf september 2016 al mogelijk door de Wet verbeterde premieregeling. Verschil is dat het alleen met een risicovrije rente kan.
• Het kabinet vindt de varianten IV-C en I-B interessant. Ook in die volgorde. En wil deze verder onderzoeken. Beide varianten bevatten een uitgebreide vorm van risicodeling. Dat kan voor toekomstige generaties leiden tot een 7% hoger pensioen. De meeste huidige generaties gaan er naar verwachting echter op achteruit; omdat de buffer door hen moet worden opgebouwd. Risicodeling met toekomstige generaties leidt tot minder transparantie. En vereist een stabiele instroom van nieuwe deelnemers. Er is dus een groot discontinuïteitsrisico.
• Ook in een nieuw contract moeten partijen een afweging maken tussen ambitie, premie en risico.
• De communicatie moet transparant zijn om een verwachtingskloof te voorkomen.

Kortom er wordt veel werk verzet. Aan de varianten IV-A en IV-B moet volgens ons nog de mogelijkheid van verwacht rendement worden toegevoegd. Het nadeel van variant IV-C is dat de buffers die op termijn voordelig uitpakken nog opgebouwd moeten worden.

Hoofdlijn 4: Wat voegen keuzevrijheid en maatwerk toe?
Bij keuzevrijheid heeft de deelnemer de mogelijkheid om elementen van het pensioen af te stemmen op zijn persoonlijke voorkeuren en omstandigheden. De pensioenuitvoerder moet de deelnemer ondersteunen bij het maken van keuzes. Bij maatwerk stemmen sociale partners of de pensioenuitvoerder elementen van het pensioen af op de veronderstelde behoeften en kenmerken van deelnemers. Maatwerk kan de deelnemer ook beschermen tegen het maken van verkeerde keuzes. Het kabinet stelt voor het mogelijk te maken dat mensen tijdelijk minder premie inleggen. En een bedrag ineens op kunnen nemen. Dat kan tijdens het werkende leven of rond pensioeningang. Dat kan worden gekoppeld aan een bestedingsdoel, zoals wonen of zorg. Door deze extra keuzemogelijkheden kunnen mensen hun consumptie beter over de levensloop spreiden. Veel moet nog worden uitgewerkt. Bijvoorbeeld de vraag of mogelijke premievakanties gevolgen hebben voor risicodekkingen.

Kabinet wil fiscale ruimte maken voor de transitie
Het kabinet vindt dat er een overgangsperiode nodig is om de doorsneesystematiek uit te faseren. Zo kan de groep mensen die nadeel ondervindt van de overstap geleidelijk ingroeien in het nieuwe systeem van actuarieel meer faire pensioenopbouw. De overheid verruimt tijdelijk het fiscale kader. Sociale partners en pensioenuitvoerders moeten daarbinnen tot maatwerk komen. Het kabinet wil ook mogelijk maken dat bestaande rechten in een nieuw contract worden ondergebracht. Bezien wordt of het individuele bezwaarrecht bij collectieve waardeoverdracht kan worden gewijzigd of geschrapt. Het probleem van invaren wordt dit keer hopelijk wel goed opgelost.

Is er geld voor hogere premies?
Tijdens de transitieperiode zal een deel van de premie nodig zijn voor het evenwichtig verdelen van de generatie-effecten. Uit berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat de overstap op degressieve opbouw in 25 jaar evenwichtig en tegen acceptabele kosten kan worden gedaan. Mogelijk kan dit ook in 10 jaar. Het CPB heeft de transitielast berekend op € 100 miljard. Hiervan komt € 40 miljard voor rekening van de overheid. Uit analyse is gebleken dat de overstap op degressieve opbouw en het introduceren van een nieuwe pensioenovereenkomst per 2020 haalbaar is. Sociale partners kunnen de fiscale ruimte gebruiken, maar daar staat tegenover dat het in bedrijven ook mogelijk moet zijn om een hogere premie op te brengen. Dat kan ook door vrijgevallen VPL-premies hiervoor te bestemmen.

Doel: in 2020 nieuw stelsel
Het kabinet wil het nieuwe stelsel per 2020 invoeren. Het verdere onderzoek richt zich met name op de varianten IV-C en I-B. De Pensioenfederatie onderzoekt ook die varianten de komende maanden. En ook variant I-A omdat fondsen die door willen met de huidige uitkeringsovereenkomst over moeten gaan op degressieve opbouw. Om dat mogelijk te maken, moet er de komende periode nog veel werk worden verzet. Niet alleen door het kabinet, maar ook door de pensioensector, sociale partners en toezichthouders. Dit alles resulteert niet een blauwdruk, maar wel in elementen voor het nieuwe stelsel die een rol kunnen gaan spelen bij de verkiezingen in 2017. Veel is afhankelijk van een nieuw kabinet. Het nieuwe kabinet heeft minstens visie en daadkracht nodig om een nieuw stelsel mogelijk te maken in 2020. We blijven u op de hoogte houden.

Leo Blom, juridisch beleidsadviseur