Nieuwe pensioenfondsenrichtlijn

Eind juni bereikten vertegenwoordigers van de Europese Commissie, de Raad en Europees Parlement een compromis over IORP II (Institutions for Occupational Retirement Provision); de nieuwe pensioenfondsenrichtlijn. Vraag is of het compromis gunstig of ongunstig voor Nederland is. De richtlijn voldoet niet aan alle Nederlandse wensen. Maar er staan uiteindelijk geen hogere kapitaaleisen in de richtlijn. En ook bevoegdheden zijn niet naar Europa gedelegeerd. Dat is gunstig. Wel staan er heldere spelregels voor grensoverschrijdende pensioenen in de richtlijn. En ook een aantal nieuwe eisen voor communicatie. Pensioenfondsen krijgen er naar verwachting eind 2018 concreet mee te maken.

Het compromis over de pensioenfondsenrichtlijn werd nog net onder Nederlands voorzitterschap bereikt. De komende maanden werken juristen het compromis verder uit. Naar verwachting wordt de nieuwe richtlijn eind dit jaar officieel gepubliceerd. Uiterlijk eind 2018 heeft de richtlijn effect voor Nederlandse pensioenfondsen. Want dan is de richtlijn in de Nederlandse wetgeving verwerkt. Zodra de wetsvoorstellen met de vertaling van IORP II naar de Nederlandse situatie beschikbaar komen, zal Syntrus Achmea op korte termijn hierop terug komen.

Crisis en grensoverschrijdend werk vragen om nieuwe pensioenfondsenrichtlijn De huidige pensioenfondsenrichtlijn dateert van 2003. De financiële crisis in 2008 en de dalende en aanhoudende lage rente toonden sindsdien de gevoeligheden van pensioeninstellingen aan. Ook wil de Europese Commissie dat pensioen geen belemmering is voor grensoverschrijdende arbeid. Het gaat enerzijds om werknemers die in andere landen werken, zoals grensarbeiders en werknemers uit andere lidstaten van de Europese Unie. Anderzijds gaat het om internationale werkgevers. Zij willen de regelingen voor werknemers uit meerdere landen op één plek samenbrengen. De betrokken partijen droegen daarom hun wensen voor een nieuwe pensioenfondsrichtlijn aan.

Uitgangspunten voor IORP II

  • duidelijke spelregels voor grensoverschrijdende activiteiten van pensioenfondsen (IORP’s).
  • zorgen voor goede governance en risicomanagement binnen IORP’s.
  • het leveren van duidelijke en relevante informatie aan deelnemers en pensioengerechtigden.
  • te zorgen dat de toezichthouders over de nodige instrumenten beschikken om effectief toezicht te kunnen houden.

Betere bescherming bij grensoverschrijdende waardeoverdracht
De nieuwe IORP II-richtlijn geeft heldere spelregels voor grensoverschrijdende pensioenregelingen. De richtlijn maakt onderscheid tussen het uitvoeren van een pensioenregeling in een andere lidstaat en een collectieve waardeoverdracht naar een IORP in een andere lidstaat. Voor het uitvoeren van een pensioenregeling in een andere lidstaat blijven de regels uit de huidige IORP-richtlijn van kracht. Dat betekent dat als een Nederlandse pensioenregeling wordt uitgevoerd door een IORP in een andere lidstaat:

  • het Nederlandse sociale en arbeidsrecht, de informatievereisten en het toezicht hierop van toepassing blijven.
  • het financiële toezicht van de lidstaat waarin de regeling wordt uitgevoerd geldt.
  • alle door de IORP uitgevoerde pensioenregelingen niet in onderdekking mogen zijn, dit om toezichtarbitrage te voorkomen en de betrokken werknemers (extra) te beschermen.

Voor collectieve waardeoverdrachten naar een andere lidstaat gaan strengere eisen gelden. Zo kan de Nederlandse toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht tegenhouden als:

  • de rechten van de deelnemers en pensioengerechtigden door de overdracht worden aangetast.
  • de rechten van achterblijvende deelnemers en pensioengerechtigden onvoldoende zijn beschermd.
  • de regeling zich in onderdekking bevindt op basis van het Nederlandse financieel toetsingskader (FTK).

Daarnaast moet een meerderheid van de deelnemers en pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers instemmen met de collectieve waardeoverdracht naar een IORP gevestigd in een andere lidstaat. De aangescherpte eisen voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht beschermen de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden beter. Dus ook dit onderdeel zien wij als positief.

Impact governance en risicomanagement beperkt
In het oorspronkelijke voorstel van de Commissie stonden gedetailleerde governance vereisten. En DC-regelingen moesten verplicht een bewaarder instellen. Uiteindelijk zijn in de IORP II-richtlijn meer algemene uitgangspunten voor governance opgenomen. En het instellen van een bewaarder is een optie geworden. Voorwaarde is wel dat wordt voldaan aan de vereisten die voor een bewaarder gelden. Uitgangspunt voor het beleggingsbeleid blijft “prudent person”. Nieuw is dat er verantwoording moet worden afgelegd over de impact van het beleggingsbeleid op milieu en maatschappij. Volgens de huidige Nederlandse wet en –regelgeving moeten pensioenfondsen al in hun jaarverslag aangeven op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen. Daarnaast moeten IORP’s, als onderdeel van hun risicomanagementsysteem een risico assessment uitvoeren voor hun pensioen gerelateerde activiteiten. En daarover rapporteren naar de toezichthouder. Ook op dit terrein zijn in Nederland de verslagleggingsregels onlangs verder aangescherpt. Dus ten opzichte van de huidige regelgeving is voor de Nederlandse pensioenfondsen de impact hiervan beperkt.

Duidelijke en relevante informatievoorziening aan deelnemers en pensioengerechtigden
De nieuwe richtlijn bevat minimum regels voor de informatievoorziening (Pension Benefit Statement; PBS) aan (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden en potentiële deelnemers. Deze informatievoorziening dient:

  • actueel te zijn.
  • helder te zijn en in voor de ontvanger begrijpelijk taal.
  • niet misleidend te zijn en consistent in taalgebruik en inhoud.
  • eenvoudig leesbaar en te begrijpen te zijn voor de ontvanger.
  • in de (officiële) taal van de lidstaat waarvan de sociale en arbeidswetgeving van toepassing is.
  • gratis voor potentiële deelnemers, (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden, elektronisch of op papier.

In principe laat de richtlijn lidstaten vrij in wat er allemaal in het PBS wordt opgenomen en hoe het PBS wordt verstrekt. Maar de richtlijn schrijft wel de minimale informatie die voor elke doelgroep in het PBS moet worden opgenomen. In Nederland kennen we sinds kort de Wet Pensioencommunicatie. Die voldoet op een groot aantal punten al aan deze minimale informatievereisten. Maar er is nog wel een aantal zaken waarvoor het UPO nog moet worden aangepast. Het gaat daarbij om zaken als het te verwachten pensioen bij een slechtweerscenario. Een uitsplitsing van de premiebijdrage van de werkgever en de deelnemer en een specificatie van de kosten over de afgelopen 12 maanden die (voor zover van toepassing) door de IORP in rekening zijn gebracht. En de dekkingsgraad van het pensioenfonds. Deze informatie is in Nederland wel voorhanden, maar dient dus in de toekomst in het PBS te staan. Dus ook hier vallen de gevolgen voor de Nederlandse pensioenfondsen best mee.

Instrumenten voor effectief toezicht door toezichthouders
De nieuwe richtlijn geeft een aantal algemene principes waaraan het (prudentiële) toezicht dient te voldoen. Het toezicht dient toekomst gericht en risicogebaseerd te zijn en dient te bestaan uit een passende combinatie van off-site activiteiten en on-site inspecties. Daarnaast dient het toezicht passend te zijn voor de omvang, aard, grootte en complexiteit van de activiteiten van de betreffende IORP. Ook zijn bevoegdheden bij interventies en de verplichtingen van de toezichthouders omschreven. Daarnaast geeft de richtlijn aan welke informatie (minimaal) aan de toezichthouder dient te worden verstrekt. Ook op dit punt zien we dat veel van de aangegeven zaken in Nederland al onderdeel uitmaken van het risicogebaseerd Financieel Toetsingskader.

Herstelplan en informatie bij korten
Er komt door IORP II een langere informatietermijn als pensioenfondsen moeten korten. Die termijn moet ten minste drie maanden voorafgaand aan het doorvoeren van de korting zijn. Dat is strenger dan de huidige periode binnen Nederland van ten minste één maand. Die termijn moet dus worden aangepast. Ook de voorwaarden voor een herstelplan worden in vergelijking met de huidige Nederlandse wet- en regelgeving door de nieuwe richtlijn mogelijk iets anders. Omdat de richtlijn minimum voorwaarden voorschrijft is de impact hiervan voor de Nederlandse pensioenfondsen nog niet helemaal duidelijk.

Geen hogere buffers
De Commissie wilde in eerste instantie een gelijk speelveld creëren voor pensioenfondsen en verzekeraars. Voor verzekeraars gelden strengere kapitaalvereisten. Daarom werd voorgesteld om die ook voor pensioenfondsen voor te schrijven. Dit zou tot hogere buffervereisten leiden. Maar pensioenfondsen zijn geen verzekeraars. Daarom verzette Nederland zich samen met andere lidstaten met ontwikkelde tweede pijler pensioenen hiertegen. Uiteindelijk zag de Europese Commissie af van nieuwe kapitaalvereisten voor pensioenfondsen. Deze discussie is voorlopig ook niet meer aan de orde. Dat komt omdat de IORP II-richtlijn pas zes jaar na ingang wordt geëvalueerd. Op dit punt is IORP II dus gunstig voor (Nederlandse) pensioenfondsen.

Geen gedelegeerde bevoegdheden
Oorspronkelijk stelde de Commissie voor dat het zonder betrokkenheid van de Raad en het Europees Parlement nadere regels kon uitwerken over onderwerpen zoals risico-evaluatie, het uniforme informatiedocument (Pension Benefit Statement) en het beloningsbeleid. In het uiteindelijke compromis zijn al deze gedelegeerde bevoegdheden geschrapt. Dat is ook gunstig voor (Nederlandse) pensioenfondsen.

Tot slot is het positief dat in de nieuwe richtlijn staat dat pensioenfondsen primair een sociaal doel hebben. Namelijk het voorzien in aanvullende pensioenuitkeringen. En daarom niet moeten worden behandeld als pure financiële dienstverleners. Dat betekent dat fondsen beleggen om de pensioenen te financieren. Europa begrijpt daarmee dus dat het rendement een voorwaarde is om pensioen op te bouwen. En dat kosten die ten laste van het rendement gaan, de uiteindelijke pensioenen lager maken.

Jos Huisman, senior actuaris