Veel aanbod, maar zelfstandige heeft weinig aandacht voor pensioen

Het kabinet wil dat alle werkenden een toereikend pensioen opbouwen. Niet alleen werknemers, ook zelfstandigen. Werknemers doen vaak verplicht mee aan een pensioenregeling, zelfstandigen meestal niet. Het kabinet onderzocht of de mogelijkheden voor vrijwillige voortzetting bij pensioenfondsen er voor zorgen dat ook zelfstandigen voldoende pensioen opbouwen. Het blijkt dat 95% van de oud-werknemers toegang heeft tot vrijwillige voortzetting. En er zijn weinig wettelijke belemmeringen. Toch zetten maar weinig werknemers die als zelfstandige aan de slag gaan hun pensioenopbouw bij het pensioenfonds voort. Vanwege het toenemende aantal zelfstandigen zoekt het kabinet naar mogelijkheden om deze groep aan te sporen pensioen op te bouwen. Maar wat is voldoende pensioen?

Onderzoek naar de praktijk
Eind 2013 besloot het kabinet onderzoek te doen naar de praktijk van vrijwillige voortzetting. De idee was dat vrijwillige voortzetting een bijdrage kan leveren aan een goed pensioen voor zelfstandigen. Maken pensioenfondsen optimaal gebruik van de wettelijke mogelijkheden om vrijwillige voortzetting aan te bieden? Zijn de wettelijke voorwaarden beperkend? Op 11 juli 2016 stuurde staatssecretaris Klijnsma het onderzoeksrapport naar de Tweede Kamer.

Wettelijke belemmeringen
Tot 2001 mocht een werknemer die zelfstandige wordt de pensioenopbouw tot de pensioendatum voortzetten. Door de taakafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars werd dat toen beperkt tot 3 jaar. Bij de invoering van de Pensioenwet verlengde de Tweede Kamer deze termijn in 2008 tot 10 jaar. Het kabinet kwam echter pas in 2012 met fiscale ondersteuning over de brug. Daardoor was de langere voortzetting feitelijk in die jaren geblokkeerd. De premies zijn aftrekbaar van de belasting. Maar vanaf het vierde jaar gelden complexe fiscale regels. Weinig pensioenfondsen bieden dan ook langere voortzetting dan 3 jaar aan.

Veel aanbod, maar nauwelijks interesse
Bij ondernemings- en beroepspensioenfondsen komt bijna geen vrijwillige voortzetting voor. Van de bedrijfstakpensioenfondsen biedt liefst 85% vrijwillige voortzetting aan. Er is daardoor een ruim aanbod van vrijwillige voortzetting: 95% van de werknemers heeft er toegang toe. Toch maakt bijna geen werknemer die als zelfstandige aan de slag gaat er gebruik van. Landelijk gaat het om circa 650 zzp’ers. De meeste fondsen bieden niet de mogelijkheid om 10 jaar voort te zetten. Of de mogelijkheid om minder premie in te leggen. Deze voorwaarden kunnen een belemmering vormen, maar volgens het onderzoek is dat geen oorzaak van het uiterst beperkte gebruik.

Zelfstandige heeft weinig aandacht voor pensioen
De oorzaken van het kleine aantal voortzetters zijn algemener. Veel zelfstandigen hebben weinig aandacht voor pensioen. Of willen er geen geld voor opzij zetten. Zeker in de eerste periode als zelfstandige. De voortzetter moet ook het werkgeversdeel van de premie betalen. Dat werpt een drempel op. En er geldt de wettelijke eis dat de voortzetting direct moet aansluiten op de periode dat hij/zij als werknemer pensioen opbouwde. Het helpt misschien als die wettelijke eis verdwijnt. En als voortzetting tot de pensioendatum zou mogen. Maar staatssecretaris Klijnsma schat in dat er ook dan weinig mensen gebruik van maken. Daar komt bij dat voortzetting geen oplossing biedt voor de groep die altijd als zzp’er werkzaam was.

Van lichte dwang tot pensioenplicht
Het kabinet wil dat ook zzp’ers een toereikend pensioen opbouwen. Met vrijwillige voortzetting bij het oude fonds wordt dit niet in voldoende mate bereikt, zo concludeert het kabinet. Het kabinet wil daarom naar andere mogelijkheden kijken. Het kabinet verwijst daarvoor naar de Perspectiefnota Toekomst Pensioenstelsel van 8 juli 2016.

Daarin schetst het kabinet de volgende mogelijkheden voor zelfstandigen:

  • Zelfstandigen in een bedrijfstakpensioenfonds. Er is nu maar 1 bedrijfstakpensioenfonds waar de zelfstandigen verplicht deelnemen en het draagvlak daarvoor ligt onder vuur.
  • Voorwaardelijke fiscale ondernemersfaciliteiten. Dat wil zeggen dat na 3 jaar alleen recht is op fiscale ondernemersfaciliteiten indien er gespaard wordt voor pensioen.
  • Opt-out regeling voor zelfstandigen. Dat betekent dat alle zelfstandigen standaard deel nemen aan de pensioenregeling; maar de mogelijkheid hebben om ervan af te zien.
  • Opt-in regeling voor zelfstandigen Dat betekent dat alle zelfstandigen een aanbod krijgen om aan de pensioenregeling deel te nemen.
  • Aanpassing vrijwillige voortzetting pensioenopbouw tweede pijler. Dat betekent dat zelfstandigen tot 5 jaar na einde deelneming als werknemer kunnen starten met het voortzetten. Zij bepalen zelf de premie-inleg. Voortzetting kan langer dan 10 jaar als de deelneming ook langer was.
Verder ziet het kabinet generieke oplossingen voor iedereen die onvoldoende pensioen opbouwt, dus ook werknemers. Bijvoorbeeld een wettelijke pensioenplicht of een generieke verhoging van de AOW. Deze opties vormen echter een forse wijziging van ons pensioenstelsel. Een verhoging van de AOW zit er waarschijnlijk niet in, want het kabinet stelt al vast dat dit vanwege de gemiddelde verwachte pensioeninkomens van de huidige werknemers geen gericht instrument is om de toereikendheid te vergroten.

Wat is een toereikend pensioen?
Het kabinet ziet vrijwillige voortzetting niet als een afdoende oplossing voor pensioenopbouw voor zelfstandigen. Omdat heel weinig mensen vrijwillig voortzetten, kunnen pensioenfondsen zich daarom de vraag stellen of ze vrijwillige voortzetting nog wel willen aanbieden. Dat maakt de pensioenregeling eenvoudiger en daardoor wellicht goedkoper. Een breed draagvlak voor een pensioenplicht lijkt er nu niet te zijn. Die kan van belang zijn om concurrentie op de arbeidsmarkt tussen zzp’er en werknemers tegen te gaan. Wij vragen ons af of de andere opties werkelijk gaan bijdragen aan een toereikend pensioen voor zelfstandigen. Het wordt een politieke afweging of zo’n optie toch ingevoerd wordt. Maatregelen lijken gewenst want ongeveer 50% van de zelfstandigen heeft geen aanvullend pensioen geregeld. De helft hiervan heeft een laag inkomen en voor hen is de AOW toereikend. De andere helft spaart onvoldoende voor hun pensioen. Dat zijn ongeveer 275.000 personen.

SER komt met advies
Bij dit alles is er ook geen duidelijke norm wat een ‘toereikend’ pensioen is. Startpunt zou wat ons betreft moeten zijn om dat eerst bij deze doelgroep eens na te gaan. Een standaard pensioenregeling voor zelfstandigen is te overwegen. Maar of dat tot voor alle zelfstandigen tot een adequaat pensioen leidt is de vraag. Dat hangt immers ook af van de individuele financiële situatie, zoals mogelijke vrije besparingen of een (deels) afgeloste eigen woning. Het is wel van belang dat zelfstandigen weten op welke wijze zij pensioen kunnen opbouwen. De Sociaal-Economische Raad (SER) komt over enkele maanden met een advies over de positie van zelfstandigen in het toekomstige pensioenstelsel. Wij gaan er van uit dat de SER al deze aspecten meeweegt. De politieke afweging hoe hiermee om te gaan is aan het volgende kabinet.

Leo Blom, juridisch beleidsadviseur