Deelnemer in jong fonds kan bij degressieve opbouw 20% tot 30% pensioen te kort komen

Het Centraal Planbureau (CPB) concludeerde in 2016 dat een overstap van doorsnee opbouw naar degressieve opbouw gunstig is voor toekomstige generaties. Hun pensioen gaat er volgens het CPB zo’n 8% op vooruit. Maar deze conclusie gaat niet altijd op. Sterker nog, iemand die zijn hele leven in een ‘jonge’ sector werkt, levert bij gelijkblijvende premie wel 20% tot 30% aan pensioen in. Afschaffing van de doorsneesystematiek heeft voor alle pensioenfondsen gevolgen voor de verhouding tussen premie en pensioenambitie.

Verschillende tijd om te renderen
Bij de doorsneesystematiek betaalt iedereen, ongeacht de leeftijd, binnen een pensioenregeling een gelijke premie én bouwt hetzelfde pensioen op. Vanuit economisch oogpunt is dit niet ‘fair’. De premie van jongeren kan immers langer renderen dan de premie van ouderen. En daar hoort economisch gezien een hogere opbouw bij. Economisch bekeken bouwen jongeren binnen de doorsneesystematiek dus te weinig pensioen op. Ouderen daarentegen bouwen te veel op. Oudere werknemers worden als het ware ‘gesponsord’ door hun jongere collega’s.

CPB zegt 8% meer pensioen
Stel dat we nu overstappen van doorsnee opbouw naar degressieve opbouw bij gelijkblijvende premie. Dan wordt het pensioen van een jonge deelnemer naar verwachting hoger. Zijn geld blijft namelijk langer in de pot, en dat levert meer rendement en dus meer pensioen op. Het Centraal Planbureau berekende in het rapport ‘Afschaffen doorsneesystematiek Mogelijke transitiepaden’ dat het effect wel 8% is.

Pensioenresultaat omlaag bij jonge sectoren
Het sommetje van het Centraal Planbureau gaat echter in de praktijk niet altijd op. Een toekomstige deelnemer kan er zelfs 20% tot 30% op achteruit gaan. Dit zie je terug als je de gevolgen van afschaffing van de doorsneesystematiek doorrekent voor een zogenaamd ‘eeuwig jong’ fonds. Hiermee bedoelen we een pensioenfonds in een sector waar met name jongeren tussen de 20 en 40 jaar werken. Als ze ouder worden, treden ze meestal uit het pensioenfonds. Ze gaan bijvoorbeeld in een andere sector of als zelfstandige werken. Er zijn echter ook deelnemers die wel hun hele leven in de sector blijven werken. Zowel de jongeren die overstappen naar een ander fonds, als de deelnemers die hun hele leven in het eeuwig jonge fonds blijven, kunnen er op achter uit gaan na de overstap op degressieve opbouw.

Premie afstemmen op hele carrière
Dit komt omdat de huidige doorsneepremie in een ‘eeuwig jong’ relatief laag is vanwege de lage gemiddelde leeftijd van het collectief. Er zitten immers met name jongere werkenden in het fonds. Hun premie kan nog lange tijd renderen. Er ontstaan problemen als we de doorsneesystematiek afschaffen, de premie gelijk houden, maar overstappen op degressieve opbouw. De huidige premie is bij doorsneeopbouw voldoende voor de opbouwambitie voor het (jonge) collectief. Maar als je overstapt op degressieve opbouw, dan moet de premie afgestemd zijn op het individu. Het individu moet over zijn hele carrière bezien voldoende premie inleggen voor een fatsoenlijke opbouw. En een individu blijft niet ‘eeuwig jong’ zoals een collectief dat wel kan blijven.

20% tot 30% lager pensioenresultaat
Als de premie in een ‘eeuwig jong’ fonds gelijk blijft, maar we overstappen van doorsneeopbouw naar degressieve opbouw, dan bouwt een deelnemer veel minder op. De premie is over zijn gehele carrière bezien te laag. Hij kan daardoor tot wel 30% in pensioen er op achteruit gaan. Bij ‘oude’ sectoren is het omgekeerde het geval. De huidige premie is hoger dan nodig voor degressieve opbouw met dezelfde ambitie. Jonge deelnemers gaan er bij een gelijkblijvende premie daardoor bij overgang naar degressieve opbouw zelfs meer dan 8% op vooruit. Het kan wel oplopen tot 60% meer aanvullend pensioen.

Generaties, sectoren en andere aspecten verdienen aandacht
Het beeld van de voor- en nadelen van het afschaffen van de doorsneesystematiek ligt genuanceerder dan de CPB-resultaten laten zien. Het is niet altijd zo dat iedere jonge deelnemer er 8% op vooruit gaat. Bij een overgang van doorsneeopbouw op degressieve opbouw moeten alle fondsen zich beraden op de mate waarin zij premie of ambitie willen aanpassen. Bij ‘jonge’ fondsen betekent dit een hogere premie of een lagere ambitie. Bij oude fondsen juist een lagere premie, of een hogere ambitie.

Overigens spelen naast de economisch aspecten ook nog andere (bijvoorbeeld juridische) aspecten een rol bij de afschaffing van de huidige doorsneeopbouw. Hier moet ook aandacht voor zijn om te zorgen voor een robuuste overgang. En voor maatschappelijk draagvlak.

Agnes Joseph, Actuaris AG/ ALM adviseur