Werk aan de winkel: AOW- en pensioenrichtleeftijd gaan verder omhoog

De AOW-leeftijd gaat in 2022 omhoog naar 67 jaar en 3 maanden. De pensioenrichtleeftijd voor aanvullende pensioenen gaat in 2018 omhoog naar 68 jaar. Dat betekent dat pensioenfondsen vóór 2018 moeten nadenken over aanpassing van hun regeling. En over de communicatie hierover. Nu is het pensioen immers gebaseerd op een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar. Het bestuur moet besluiten of het fonds ook oude aanspraken gaat herrekenen naar de nieuwe pensioenrichtleeftijd van 68 jaar. Voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen heeft de nieuwe pensioenrichtleeftijd ook effect op de verplichtstelling. Het is daarom belangrijk om op tijd te starten met de aanpassingen.

Voor deelnemers betekenen de verhogingen dat op korte termijn de pensioenrichtleeftijd en de AOW-leeftijd verder uit elkaar komen te liggen. Hierdoor is er wellicht extra aandacht nodig voor de begeleiding van oudere deelnemers. Het fonds kan hen helpen met de keuzemogelijkheden rond de pensioendatum.

Automatische koppeling aan levensverwachting
De overheid verhoogt de AOW-leeftijd sinds 2013 stapsgewijs. Tot en met 2021 staat dat in de wet. De AOW-leeftijd is vanaf 2022 automatisch gekoppeld aan de stijging van de levensverwachting. Een verdere verhoging van de AOW-leeftijd wordt jaarlijks bepaald aan de hand van de macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65 jaar. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt de raming hiervoor. En als er sprake is van een verdere verhoging, gaat deze verhoging steeds in stappen van drie maanden. Hiervoor is geen wetswijziging nodig. De overheid kondigt de verhoging telkens ten minste vijf jaar van te voren aan.

Tijdpad verhoging AOW-leeftijd
Het CBS maakte op 31 oktober de raming van de macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd voor 2022 bekend: 20,63 jaar. Daardoor komt de AOW-leeftijd in 2022 uit op 67 jaar en drie maanden. Hieronder het tijdpad voor de verhoging van de AOW-leeftijd.

Jaar  AOW-leeftijd  Geldt voor personen geboren: 
 2016  65 jaar + 6 maanden   na 30 september 1950 en voor 1 juli 1951
 2017  65 jaar + 9 maanden  na 30 juni 1951 en voor 1 april 1952
 2018  66 jaar  na 31 maart 1952 en voor 1 januari 1953
 2019  66 jaar + 4 maanden  na 31 december 1952 en voor 1 september 1953
 2020  66 jaar + 8 maanden  na 31 augustus 1953 en voor 1 mei 1954
 2021  67 jaar  na 30 april 1954 en voor 1 januari 1955
 2022  67 jaar + 3 maanden  na 31 december 1954 en voor 1 oktober 1955

Staatssecretaris Klijnsma publiceerde de verhoging in de Staatscourant van 8 november.

Pensioenrichtleeftijd 68
De fiscale pensioenrichtleeftijd gaat per 1 januari 2018 omhoog naar 68 jaar. Dat maakte de overheid op 31 oktober bekend. De fiscale pensioenrichtleeftijd is in 2014 verhoogd van 65 naar 67 jaar en is daarna gekoppeld aan de stijging van de levensverwachting. Ook is geregeld dat als sprake is van een verdere verhoging van de pensioenrichtleeftijd, deze verhoging in stappen van één jaar zal gaan.

Rekenleeftijd
De pensioenrichtleeftijd is een rekenleeftijd. Daarmee wordt de jaarlijkse maximaal toegestane fiscale pensioenopbouw berekend. De reglementaire pensioenrichtleeftijd kan ook 67 jaar of nog lager (bijvoorbeeld 65 jaar) blijven. Voorwaarde is dat het op te bouwen ouderdomspensioen niet hoger is dan het fiscaal maximale ouderdomspensioen bij 68 jaar dat is herrekend naar de lagere pensioenrichtleeftijd. Als het fonds nu al de volledige fiscale ruimte benut, dan moet het fonds de regeling aanpassen. Dat betekent een keuze. De reglementaire pensioenrichtleeftijd kan omhoog of het opbouwpercentage omlaag.

Opbouwpercentages en staffels omlaag
De verhoging van de pensioenrichtleeftijd wordt bij algemene maatregel van bestuur doorgevoerd. Naar verwachting gaan daarbij de fiscaal maximale opbouwpercentages omlaag. Dat gebeurde ook bij de eerdere verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 67. Dit omdat langer pensioen kan worden opgebouwd. Dan worden ook de fiscale staffels voor premieregelingen naar evenredigheid verlaagd. De verhoging van de richtleeftijd heeft geen gevolgen voor de vóór 2018 opgebouwde aanspraken. En het wijzigt de financiële positie van pensioenfondsen heel beperkt. In theorie zou de premie enigszins verlaagd kunnen worden, maar het pensioenfondsbestuur zal daarvoor een bredere afweging maken.

Snel aan de slag
Pensioenfondsen moeten besluiten of zij per 2018 hun pensioenrichtleeftijd aanpassen aan de nieuwe fiscale richtleeftijd van 68 jaar. Hoe eerder zij besluiten hoe beter. Zeker bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen. Als de pensioenrichtleeftijd in de verplichtstelling staat, moet ook de verplichtstelling wijzigen. Het wijzigen van de verplichtstelling kent een doorlooptijd van 6 tot 12 maanden. Het fonds moet de administratie en de communicatie tijdig aanpassen. Het bestuur moet beslissen of opgebouwde aanspraken met een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar (of lager) worden herrekend naar de nieuwe pensioenrichtleeftijd van 68 jaar. Staatssecretaris Klijnsma overweegt om in de wet te regelen dat in deze situatie de deelnemer geen bezwaar kan maken tegen de herrekening.

Deelnemers goed begeleiden
De pensioenrichtleeftijd blijft, net als de afgelopen jaren, hoger liggen dan de AOW-leeftijd. Het is daarom belangrijk deelnemers goed te begeleiden rond de pensioendatum. Kiest de deelnemer voor het vervroegen van pensioen? Of voor eerst een hoger en daarna een lager pensioen? Hoe dan ook: er is werk aan de winkel!

Leo Blom, juridisch beleidsadviseur