SER: verplichtstelling beroepspensioenfonds kan blijven

De verplichtstelling van een beroepspensioenfonds wordt niet ingetrokken als er “te veel” mensen in loondienst onder de verplicht gestelde pensioenregeling komen te vallen. Mensen in loondienst en zelfstandigen kunnen daardoor samen blijven deelnemen aan pensioenregelingen van beroepspensioenfondsen. En bij wijziging van de pensioenregeling hoeft de vereniging achter het beroepspensioenfonds de representativiteit niet extra aan te tonen.

De Sociaal-Economische Raad (SER) gaf een positief advies over deze voorstellen van staatssecretaris Klijnsma. De nieuwe regelingen geven beroepspensioenfondsen iets meer lucht. Maar er is nog geen duurzame oplossing.

Trend: meer beroepsgenoten in loondienst
Een beroepspensioenregeling is in overwegende mate bestemd voor zelfstandig werkende beroepsgenoten. Dat wil zeggen: beroepsgenoten met een eigen praktijk. Zij zijn dus niet in loondienst. Zo staat het in de wet. In het verleden was een overgrote meerderheid van de beroepsgenoten ook zelfstandig werkzaam. De wetgever wilde voor hen het pensioen regelen. De consequentie daarvan is dat de verplichtstelling voor beroepsgenoten in loondienst kan worden ingetrokken als nog maar een minderheid van het aantal deelnemers een zelfstandig werkende beroepsgenoot is. Dat is geen denkbeeldig scenario. Want er is een trend waar te nemen dat steeds meer beroepsgenoten in loondienst werken.

Verplichtstelling mag blijven
Staatssecretaris Klijnsma wil dat de verplichtstelling toch mag blijven als aan de regeling niet meer in overwegende mate zelfstandig werkende beroepsgenoten deelnemen. In de praktijk gaat dan om meer dan 55% van de deelnemers. Het verhoudingsvereiste wordt dus losgelaten. Dat geeft voor nu lucht. De intrekking van de verplichtstelling voor beroepsgenoten in loondienst zou namelijk de verdere opbouw van pensioen voor deze groep deelnemers bemoeilijken. Daarnaast kan het ten koste gaan van het bestaande draagvlak. En zouden de kosten voor het in stand houden van de regeling over minder deelnemers moeten worden verdeeld. Dat is niet wenselijk.

Tussenoplossing
Klijnsma vroeg de SER om advies. De SER gaf hierover onlangs een positief advies. Klijnsma liet de SER wel weten dat deze aanpassing gericht is op de korte termijn. En dat deze vooruitloopt op een duurzame oplossing voor beroepspensioenregelingen. Voor staatssecretaris Klijnsma is dit dus een tussenoplossing. Maar het is complex. Het is dan ook niet helder hoe die duurzame oplossing er uit zou moeten zien.

Elke 5 jaar representativiteit aantonen is voldoende
Klijnsma legde nog een voorstel aan de SER voor. Namelijk het laten vervallen van het representativiteitsvereiste bij wijziging van de pensioenregeling. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) gaat over de verplichtstelling. De minister van SZW kan bij een wijziging van de regeling de beroepspensioenvereniging opdragen om aan te tonen dat zij nog voldoende representatief is. De vereniging moet dit sowieso al elke vijf jaar doen. Dat vindt Klijnsma voldoende. Ook met dit voorstel stemde de SER in. De SER Zij gaat er van uit dat wijzigingen van de pensioenregeling het draagvlak binnen de beroepsgroep hebben. Klijnsma regelt via de Verzamelwet pensioenen 2017 dat bij een tussentijdse wijziging van de regeling geen toets op representativiteit plaatsvindt. Het streven is dat deze wetswijziging op 1 juli 2017 in werking treedt.

Lasten omlaag
Wij vinden dit positieve ontwikkelingen. Het is in het belang van alle belanghebbenden dat ook beroepsgenoten in loondienst kunnen blijven deelnemen aan de beroepspensioenregeling. Het geeft draagvlak en houdt de regeling betaalbaar. De beroepspensioenverenigingen kunnen de administratieve lasten namelijk over een grotere groep verspreiden. Per deelnemer is dit goedkoper.

Jos van der Zanden, senior pensioenjurist