Breed pensioenakkoord legt bal ook bij politiek

Rutte met journalisten

Het lukte eind november niet om een pensioenakkoord te sluiten tussen het kabinet en de sociale partners. De hoofdlijnen van een afspraak over een nieuw pensioencontract waren grotendeels rond. Partijen werden het echter niet eens over aanpalende onderwerpen. Zoals de compensatie voor een overstap naar degressieve opbouw, de stijging van de AOW-leeftijd en pensioen voor zelfstandigen. Hierdoor is de discussie over het pensioenstelsel in politiek vaarwater gekomen.

Van regeerakkoord tot overleg over pensioenakkoord
We kregen meer inzicht in hoe het gelopen is de afgelopen maanden. Het kabinet vroeg in het regeerakkoord een advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over het pensioenstelsel. De sociale partners in de SER werkten het pensioencontract verder uit. Na de zomer startte het overleg met het kabinet. Dat was nodig omdat het voorstel van sociale partners op punten afweek van het regeerakkoord. En omdat partijen het gesprek wilden verbreden met de AOW en de duurzame inzetbaarheid van oudere werknemers. Het ging dus om een totaalpakket aan afspraken. Voor mensen in zware beroepen is gesproken over vroegpensioen en deeltijdpensioen. En over een pensioenopbouw voor zelfstandigen. Ook het kabinet wilde praten over een totaalpakket. Toch bleek op 20 november dat het niet lukte om een breed pensioenakkoord te bereiken.

Hoofdlijnen van het nieuwe pensioencontract
Het kabinet en de sociale partners spraken over een nieuw pensioencontract zonder nominale zekerheid. Daardoor kunnen fondsen eerder indexeren. Een dekkingsgraad van 100% is het kantelpunt. Daarboven kan sneller worden geïndexeerd en daaronder sneller gekort. Indexatie en korting kan over 10 jaar gespreid worden. Een fonds kan mee- en tegenvallers open of gesloten spreiden. Bij open spreiding deelt ook de nieuwe opbouw mee in eerdere mee- en tegenvallers; deze variant kent een beperkte buffer. Bij gesloten spreiding wijzigen alleen de bestaande pensioenen; hier is geen buffer. Er komen mogelijk ‘noodremmen’ bij: sneller korten als de dekkingsgraad bijvoorbeeld onder de 90% zakt. En sneller indexeren bij een dekkingsgraad boven 110%.

Effect verschillend per leeftijd
Het Centraal Planbureau (CPB) bekeek de effecten van de dubbele transitie. Dat is een overstap naar degressieve opbouw en de gelijktijdige overgang van een uitkeringsovereenkomst naar een nieuw pensioencontract. Degressieve opbouw leidt tot minder pensioenopbouw voor oudere deelnemers en meer voor jongere en toekomstige deelnemers. In het nieuwe contract kan sneller worden geïndexeerd. Dat leidt volgens het CPB op lange termijn echter tot minder rendement. Dit is vooral nadelig voor jonge en toekomstige deelnemers. De effecten zijn groter bij een contract zonder buffer (gesloten spreiding) dan bij een contract met een beperkte buffer (open spreiding). Verschillende regels voor korten en indexeren naar leeftijd geeft meer stabiliteit. Open spreiding lijkt evenwichtiger. Het geeft ook minder complexiteit in de uitvoering.

Compensatie voor middelbare en jongere deelnemers
De dubbele transitie zonder compensatie is volgens het CPB voordelig voor gepensioneerden en oudere deelnemers, maar nadelig voor middelbare en jongere deelnemers. De vakbonden stelden zich op het standpunt dat een afdoende compensatie geboden moest worden. Zij vonden de afspraken die het kabinet hierover wilde maken te vrijblijvend.

In 2020 en 2021 mogelijk korting op pensioen
Als een pensioenfonds 5 jaar achtereen niet beschikt over het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV) moeten pensioenen gekort worden. Dat dreigt te gebeuren voor een aantal fondsen in 2020 of 2021. Als er een pensioenakkoord was gesloten, dan was het kabinet bereid om deze MVEV-korting te heroverwegen. In het nieuwe contract wordt immers niet gekort bij een dekkingsgraad hoger dan 100%. DNB maakte op 30 november bekend dat inmiddels de meeste pensioenfondsen de pensioenen weer gedeeltelijk en soms geheel kunnen indexeren. Dit geldt echter niet voor enkele grote fondsen.

Initiatief van GroenLinks: verleng hersteltermijn
GroenLinks diende de dag na het Kamerdebat van 27 november een initiatiefwetsvoorstel in om de MVEV-kortingen van tafel te halen. Voorstel is de hersteltermijn van 5 naar 7 jaar te verlengen. Dan hebben de sociale partners meer tijd om tot afspraken te komen over het nieuwe contract. Het kabinet liet in het debat echter doorschemeren niet vooruit te willen lopen op een pensioenakkoord.

Geen overeenstemming AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd stijgt naar 67 jaar in 2021. Het kabinet was bereid de AOW-leeftijd minder snel te laten stijgen: naar 67 jaar in 2024. Over de koppeling daarna aan de levensverwachting konden partijen het niet eens worden. Nu gaat de AOW een jaar later in als de levensverwachting met een jaar stijgt. Het kabinet wilde een commissie laten adviseren over hoe dit in de toekomst moet. Premier Rutte vond dat een besluit hierover aan het volgende kabinet is. De vakbonden vonden ook dit te vrijblijvend. Zij wilden een concrete toezegging van het kabinet.

Onderzoek naar gezonde levensverwachting
De vakbonden hadden er geen vertrouwen in. In het Kamerdebat van 27 november bleek dat een grote meerderheid van de Tweede Kamer wil dat de AOW-leeftijd minder hard stijgt dan de levensverwachting. De Kamer probeert nu met een breed gedragen motie van de vier coalitiepartijen én GroenLinks, PvdA en SGP de vakbonden over de streep te krijgen (de motie kreeg 111 stemmen). De motie roept het kabinet op te onderzoeken hoe de gezonde levensverwachting zich ontwikkelt. Om varianten uit te werken voor de koppeling tussen de ontwikkeling van de levensverwachting en de AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd. En om na te denken over de financiering daarvan. Wie weet biedt dit een opening om weer aan tafel te gaan zitten.

Verplicht ZZP-pensioen?
Het kabinet wil pensioensparen voor ZZP’ers makkelijker maken. Idee is dat zelfstandigen makkelijker kunnen toetreden tot de tweede pijler. Bijvoorbeeld via vrijwillige aansluiting of het oprichten van een speciaal fonds voor zelfstandigen (bijvoorbeeld een APF of PPI). Voor een verplichte pensioenopbouw van zelfstandigen is volgens het kabinet onvoldoende politieke steun. Wel zou het vergroten van de fiscale ruimte voor pensioenopbouw door zelfstandigen mogelijk zijn. De vakbonden en de linkse oppositie willen liever verplicht pensioensparen voor ZZP’ers. Met daarbij wel de optie voor de zelfstandige om uit te stappen.

Koolmees sleutelt liever aan buffer dan rekenrente
Zoals verwacht stonden de meningen over de rekenrente in het debat tegenover elkaar. Minister Koolmees en de coalitiepartijen houden vast aan de risicovrije rente. De linkse oppositie en 50Plus willen een hogere rekenrente bij een pensioencontract zonder nominale zekerheid. Kamerlid Van Rooijen (50Plus) vroeg bij de begroting SZW 2019 of er een andere rekenrente kan gelden bij zachtere aanspraken. Koolmees antwoordde dat alle huidige en toekomstige pensioenen met kapitaal gedekt moeten zijn. Er is alleen volledige kapitaaldekking – ook bij zachtere aanspraken – als de risicovrije rente wordt gebruikt. Een hogere rekenrente betekent rekenen met onzeker rendement. Dat neemt een hypotheek op de toekomst. Koolmees ziet wel ruimte in het loslaten van de buffereis.

Verder met zaken waar draagvlak voor is
Er is een jaar verstreken sinds het aantreden van het kabinet. Alle partijen zien het belang van een breed gedragen pensioenakkoord. Minister Koolmees informeert de Tweede Kamer in januari 2019 over het vervolgproces. Het lijkt van belang de aandacht vooral te richten op onderwerpen waar partijen elkaar kunnen vinden. Te beginnen met het nieuwe pensioencontract. Dan kunnen pensioenfondsen zich daar op voorbereiden. Over politiek gevoelige onderwerpen kan beter in de Tweede Kamer een deal worden gesloten. Naar verwachting worden de onderhandelingen weer opgepakt na de verkiezing voor Provinciale Staten op 20 maart 2019.

Door Leo Blom, juridisch beleidsadviseur