Ruimte voor verbetering bij pensioen payrollwerknemers

interessante uitleg

Het kabinet wil een adequaat pensioen voor payrollwerknemers. Een goed idee. Maar het Ontwerpbesluit adequaat pensioen houdt onvoldoende rekening met beroepspensioenregelingen. Het voorstel is ook niet goed werkbaar als de gemiddelde leeftijd bij de inlener laag is. Het voorstel kan leiden tot concurrentie op arbeidsvoorwaarden. En ook opvallend is dat het kabinet een soort pensioenplicht introduceert. Dat is nodig om payrollwerknemers aan een beter pensioen te helpen. Al met al zien wij ruimte voor verbetering.

Doel: gelijke arbeidsvoorwaarden
Payrolling komt steeds vaker voor in de huidige flexibele arbeidsmarkt. Het inlenende bedrijf werft de payrollwerknemers, maar ze komen in dienst bij het payrollbedrijf. Payrollwerknemers hebben daardoor andere arbeidsvoorwaarden dan de werknemers die in dienst zijn bij het inlenende bedrijf. Zij werken op basis van een uitzendovereenkomst. En vallen daarom onder StiPP, het bedrijfstakpensioenfonds voor de uitzendsector. De Tweede Kamer wil gelijke arbeidsvoorwaarden voor payrollwerknemers en de eigen werknemers.

Wanneer moet de payrollwerkgever een adequate pensioenregeling treffen?
De payrollwerknemers krijgen recht op een adequate pensioenregeling als: a. de werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de inlener recht hebben op een pensioenregeling; of b. de inlener geen werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst heeft, maar werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in de sector van het beroeps- of bedrijfsleven waarin de inlener werkzaam is, recht hebben op een pensioenregeling.

Optie 1: Gelijke pensioenregeling
Er is in ieder geval sprake van een adequate pensioenregeling als de payrollwerknemer deelneemt aan dezelfde basispensioenregeling als die geldt voor gelijke of gelijkwaardige werknemers bij de inlener. Dat is het geval als de payrollwerknemer valt onder de verplichte werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds of beroepspensioenfonds voor de betreffende sector. Of als de werkgever zich vrijwillig heeft aangesloten bij dat bedrijfstakpensioenfonds. Payrollwerknemers hebben dan recht op dezelfde pensioenregeling als de werknemers die in dienst zijn van de inlener. Deze optie is aan de orde als de payrollwerkgever werkzaam is in één sector van het beroeps- of bedrijfsleven.

Positie beroepspensioenfonds moet erbij staan
Het ontwerpbesluit houdt geen rekening met de mogelijkheid dat een payrollwerknemer onder de verplichtstelling van een beroepspensioenfonds valt. In dat geval is de payrollwerknemer verplicht om zich aan te melden bij het beroepspensioenfonds. De beschrijving van deze optie zou ook de mogelijkheid van een verplichte beroepspensioenregeling moeten noemen. Dan dekt het de volledige praktijk.

Optie 2: Adequate pensioenregeling
Het kan ook zijn dat de payrollwerkgever werkzaam is in veel verschillende sectoren. Het is dan niet mogelijk dat de payrollwerknemers deelnemen aan dezelfde basispensioenregeling als die geldt voor andere werknemers bij de inlener. De payrollwerkgever zou zich namelijk bij veel verschillende pensioenuitvoerders moeten aansluiten (bedrijfstak- of beroepspensioenfonds, verzekeraar, PPI of APF). Dat geeft forse administratieve lasten voor payrollbedrijven. Dat vindt het kabinet te ver gaan. De payrollwerkgever moet zelf een adequate basispensioenregeling afsluiten.

Minimale werkgeverspremie
Het kabinet stelt in het Ontwerpbesluit voor dat een adequate basispensioenregeling moet voldoen aan verschillende voorwaarden. Daarbij is aangesloten bij de vormgeving van de gemiddelde pensioenregeling in Nederland. Het gaat om de volgende voorwaarden:

  1. Er is opbouw van een ouderdomspensioen en een nabestaandenpensioen;
  2. Er geldt geen wachttijd of drempelperiode. Er is dus pensioenopbouw vanaf dag een;
  3. De collectieve werkgeverspremie voor 2020 is minimaal 13,6% van de som van de pensioengrondslagen van de payrollwerknemers. Deze premie wordt jaarlijks berekend en gebaseerd op de gemiddelde werkgeverspremie in Nederland. Deze premie kan – binnen de fiscale ruimte – worden verhoogd met een werknemersbijdrage. Als de minimale werkgeversbijdrage leidt tot fiscale bovenmatigheid, moet het verschil als loon aan de payrollwerknemer worden uitgekeerd.

Bij beroepspensioenfondsen geen werkgeversbijdrage
Hierbij wordt geen rekening gehouden met het gegeven dat bij beroepspensioenfondsen in zijn algemeenheid geen sprake is van een werkgeversbijdrage. In dat geval is deze optie niet werkbaar. Een verbetering van het voorstel is dan ook dat de beroepsgenoot die als payrollwerknemer werkzaam is zelf de gemiddelde werkgeverspremie voor zijn rekening neemt. Tenzij er een werkgeversbijdrage is afgesproken.

Payroll wordt nadelig bij lage premie eigen werknemers
Het kabinet wil bij payrolling geen concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Daarvan is nu sprake als payrollwerknemers een goedkopere pensioenregeling hebben. Dat geeft aan bedrijven die werken met payrollwerknemers een concurrentievoordeel. Maar als de inlener een jong personeelsbestand heeft, is de werkgeverspremie voor de eigen werknemers lager dan het gemiddelde in Nederland. Het inschakelen van payrollwerknemers geeft dan een concurrentienadeel. De inlener moet dan namelijk meer pensioenpremie gaan betalen voor payrollwerknemers dan voor de eigen werknemers. Dat maakt payrolling een stuk minder aantrekkelijk. Dat had het kabinet volgens ons niet beoogd.

Pensioenplicht
Tot slot introduceert het voorstel een soort pensioenplicht voor payrollwerknemers. Principieel is dit afwijkend van hoe in Nederland pensioen geregeld is. Want de overheid bepaalt niet of er een pensioen is en zo ja wat de inhoud van de pensioenregeling is. Dat doen de sociale partners of de beroepsgenoten. Op deze wijze gaat de overheid op hun stoel zitten. Werkgevers vinden dit niet juist. De vakbonden vinden dit geen bezwaar omdat de pensioenpositie van payrollwerknemers verbetert. Dat betekent wel dat zij een betere pensioenregeling krijgen dan uitzendkrachten die hetzelfde werk doen. Wij vragen ons of af het gegeven dat de inlener zelf de werknemer werft een beter pensioen rechtvaardigt.

Door Leo Blom, juridisch beleidsadviseur