Impact nieuwe parameters is sterk afhankelijk van kenmerken fonds

3 personen met papieren

Op 11 juni verscheen het advies van de Commissie parameters over maximale verwachte rendementen en een nieuwe rekenrente. Deze nieuwe parameters hebben veel impact: op herstelplannen, indexaties, de haalbaarheidstoets, premies en dekkingsgraden. De parameters gelden vanaf 1 januari 2020, de rekenrente vanaf 2021. De gevolgen van deze wijzigingen zijn erg verschillend per fonds. We geven inzicht in een aantal effecten voor een jong, gemiddeld en oud pensioenfonds.

Parameters treden al in 2020 in werking
Meteen na het verschijnen van het advies van de Commissie parameters, gaf minister Koolmees aan dat het kabinet het advies overneemt. Ook toezichthouder DNB staat achter het advies. Dit betekent dat de nieuwe parameters vanaf 2020 een feit zijn. In 2021 komt daar een nieuwe UFR bij, de rente voor lange looptijden. Het eerste moment dat de meeste pensioenfondsen ermee te maken krijgen is bij het aankomende herstelplan. En voor fondsen in een gunstigere financiële positie, bij het besluit over toeslagverlening.

De kritieke dekkingsgraad gaat omhoog, dat betekent dat korten dichterbij komt
De kritieke dekkingsgraad stijgt. Het gaat om de minimale dekkingsgraad vanaf waar het fonds nog binnen een termijn van maximaal 10 jaar kan herstellen naar een gezonde financiële positie.  Dit komt met name door de lagere verwachte rendementen waarmee gerekend mag worden. Het effect van de UFR op de kritieke dekkingsgraad is beperkt. Voor veel fondsen betekent de stijging van de kritieke dekkingsgraad dat kortingen gevaarlijk dichterbij komen. Ook de grens voor toekomstbestendig indexeren gaat omhoog. Volledige indexatie mag voor een gemiddeld fonds namelijk pas bij een circa 3% hogere dekkingsgraad.

In onderstaande grafiek ziet u de effecten op de kritieke dekkingsgraad voor jonge, gemiddelde en oude fondsen. Voor jonge fondsen houden we er rekening mee dat zij vaker een risicovoller beleggingsbeleid hebben. Dan is het effect van het lagere verwachte rendement groter dan bij een minder risicovol beleggingsbeleid waar oude fondsen vaker voor kiezen.

Effect op kritieke dekkingsgraad

Maar de kritieke dekkingsgraad telt toch niet meer bij het pensioenakkoord?
In het pensioenakkoord is afgesproken dat er een nieuw contract komt. Daarbij wordt een dekkingsgraad van 100% het kantelpunt. Is de dekkingsgraad hoger, dan kun je indexeren. Is de dekkingsgraad lager, dan ga je korten. Korten is dan niet meer de laatste maatregel zoals nu, maar onderdeel van het variabele pensioen. Herstelplannen zullen er niet meer zijn. Maar de nieuwe UFR heeft wel degelijk invloed op de vraag of korten nodig is. Als de dekkingsgraden dalen door de nieuwe rekenrente, dan komt korten via die route ook in het nieuwe stelsel sneller in beeld.

Effect van UFR op technische voorziening: jonge fondsen hard geraakt
Door de nieuwe UFR stijgt de technische voorziening gemiddeld 4 tot 8%. Maar er zijn ook fondsen waarvoor het effect buiten die bandbreedte valt. Zo kan het effect voor jonge fondsen oplopen tot meer dan 10%. Fondsen met relatief veel inactieve deelnemers worden juist minder geraakt. Zo’n stijging van de technische voorziening betekent een daling van de dekkingsgraad.

In de grafiek hieronder staan de effecten voor een jong fonds, een gemiddeld fonds en een oud fonds naast elkaar. De effecten zijn per soort fonds ook uitgesplitst naar actieve en niet-actieve deelnemers. Voor uw fonds kunt u hier al een indicatie van de effecten halen. Is uw fonds wat ouder en zijn er relatief weinig actieve deelnemers, dan valt het effect mee. Is uw fonds jong en zijn er weinig niet-actieven dan is het effect groter.

Effect op technische voorzieningen

Is er nog ruimte voor hogere premies?
Pensioenfondsen berekenen hun premie op verschillende manieren. Fondsen die de premie op basis van verwacht rendement hebben berekend, kunnen te maken krijgen met een stijging van de premie met meer dan 20%. Bij fondsen die werken met zuiver kostendekkende premies op basis van de UFR, stijgt de premie minder, maar toch nog tot meer dan 15%. Voor veel fondsen is afgesproken dat de premie niet verder stijgt. Daar zijn  simpelweg niet de financiële middelen voor. De keuze waar fondsen en hun achterban voor staan is: kunnen we de premie laten stijgen of moeten we kiezen voor een soberder pensioen? Ook hier zien we dat de effecten verschillen voor een jong fonds en voor een ouder fonds. Voor oude fondsen is de stijging het laagst. Dat ziet u in de grafiek hieronder naast elkaar staan.

Effect op de premie

Breng het voor uw eigen fonds precies in kaart
We vonden nog een aantal opvallende zaken. Zo hebben ongehuwden bij de nieuwe rekenrente voordeel ten opzichte van nu als ze nabestaandenpensioen uitruilen. Alle effecten in dit artikel zijn globale effecten. We geven er een richting mee aan. Ons advies aan fondsen is om de effecten van de Commissie parameters goed in kaart te brengen. Bijvoorbeeld voor de premie. Ook al hoeft u voor 2020 nog niet te rekenen met de nieuwe parameters, de effecten zijn zo groot dat we adviseren er nu al over in gesprek te gaan. Maak een tijdslijn met wat u, wanneer op de bestuursagenda wilt bespreken.

Bob Dongelmans, actuaris & Lieke Haijemaije, beleidsadviseur