4 juridische vragen bij nieuwe pensioencontracten

opa en kleinkind

Minister Koolmees wil vooraf zoveel mogelijk zekerheid over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van het pensioenakkoord op 3 gebieden. Namelijk leeftijdsafhankelijke pensioenopbouw, collectief invaren en de verplichtstelling. Dat staat in de ‘roadmap’ die Koolmees naar de Tweede Kamer stuurde. Kan de minister hiermee handvatten bieden aan fondsen die procedures aan hun broek krijgen?

Vraag 1: Is lagere pensioenopbouw verboden leeftijdsonderscheid?
In de toekomst bouwen jongeren in alle pensioencontracten meer pensioen op dan ouderen. Is dit verboden leeftijdsonderscheid? Wij menen van niet. Alle pensioencontracten zijn straks in de basis een premieovereenkomst. En in een premieovereenkomst is namelijk niet de opbouw maar de premie de beloning. En de premie is straks voor alle leeftijden gelijk. De nu bestaande opbouwformules bij de uitkeringsovereenkomst impliceren formeel gelijke behandeling. Want de opbouw is voor alle leeftijden gelijk. Maar doordat de premie van de jongere langer belegd wordt dan van de oudere, is er in financiële termen geen sprake van gelijke behandeling.

Kostengelijkheid wordt uitgangspunt
Dat is nu bij premieregelingen al goed te zien aan de met de leeftijd stijgende premies. De wetgever moet goed onderbouwen dat dit niet langer maatschappelijk acceptabel wordt gevonden. Oudere deelnemers zullen mogelijk hun lagere opbouw aanvechten bij de rechter. Wat helpt is een goede compensatie. En dat de wetgever de overstap op degressieve opbouw goed onderbouwt. De wetgever moet heel goed duidelijk maken dat “kostengelijkheid” het uitgangspunt wordt. Dat geeft het pensioenfonds handvatten bij hun verdediging tegen (vermeend) leeftijdsonderscheid bij degressieve opbouw.

Vraag 2: Mogen fondsen leeftijdsverschil maken bij verhogingen en verlagingen?
Het kabinet overweegt leeftijdsafhankelijke risicotoedeling. Verhogingen en verlagingen zijn daarbij voor jongeren groter dan voor ouderen. Dit is een vorm van leeftijdsonderscheid. Dat mag alleen als daarvoor een objectieve rechtvaardiging is. De vraag is of een stabiel pensioen van gepensioneerden en een goed pensioen voor deelnemers ook op een andere manier bereikt kunnen worden. Dus zonder daarbij leeftijdsonderscheid te maken. En ook als leeftijdsafhankelijke risicotoedeling juridisch mag, dan moeten pensioenfondsbesturen afwegen of het wenselijk is. Het leidt namelijk tot grote complexiteit in de uitvoering en de communicatie.

Lees meer over de berekening van de economische waarde van pensioen per leeftijd.

Vraag 3: Is collectief invaren aantasting van eigendom?
Het kabinet wil bestaande aanspraken en rechten collectief invaren in het nieuwe contract. Dat is een wijziging van opgebouwde aanspraken. Zonder dat deelnemers daar bezwaar tegen kunnen maken. Is hier sprake van inmenging van eigendom? Europese regels beschermen eigendom. Een overstap op degressieve opbouw tast bestaande pensioenrechten niet aan. Maar collectief invaren mogelijk wel. Ook kunnen deelnemers wellicht een beroep doen op een gerechtvaardigde verwachting over toekomstige pensioenopbouw. Fondsen kunnen stellen dat hier geen sprake is van aantasting van eigendom. Wat helpt is dat de wetgever goed toelicht waarom een (vermeende) inbreuk kan worden gerechtvaardigd.

Vraag 4: Is er genoeg solidariteit voor behoud verplichtstelling?
De SER en het kabinet willen de verplichtstelling overeind houden. Daardoor bouwt immers de overgrote meerderheid van de werknemers pensioen op. Maar verplichtstelling staat haaks op het uitgangspunt van de EU van vrije mededinging. Verplichtstelling mag als er voldoende solidariteit in de regeling zit. Maar wat is voldoende? Dat is niet duidelijk. Zo is de vraag of het nieuwe contract met directe inkoop van variabele aanspraken wel voldoende solidariteit bevat. Het kabinet wil extra solidariteit toevoegen aan de collectieve variant van de verbeterde premieregeling. Verplichte bedrijfstakpensioenfondsen kunnen dan ook gebruik maken van dit contract. Wij vragen ons af of hiervoor wel draagvlak is. Want sociale partners gaven aan geen behoefte te hebben aan uitbreiding van de risicodeling in de verbeterde premieregeling.

100% zekerheid vooraf is niet mogelijk
Minister Koolmees wil vooraf zoveel mogelijk zekerheid over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de verplichtstelling, de nieuwe contracten en collectief invaren. Juridische analyses zijn nodig, maar kunnen die zekerheid niet geven. Koolmees is in gesprek met de Europese Commissie als hoeder van het Europees recht. Als een lidstaat wetgeving invoert die in strijd is met een Europees verdrag, kan de Commissie een ‘inbreukprocedure’ starten. Overeenstemming vooraf verkleint de kans dat de Commissie dat doet. Maar dat is geen garantie dat het Europese Hof van Justitie achteraf niet anders oordeelt. Het is dus niet mogelijk om vooraf 100% zekerheid te krijgen.

Begin 2020 resultaten analyses bekend
Minister Koolmees stuurt eind 2019 een voortgangsrapportage over de uitwerking van de afspraken in het pensioenakkoord naar de Tweede Kamer. En begin 2020 maakt het kabinet de resultaten van de juridische analyses over mededinging, gelijke behandeling en bescherming van eigendom openbaar. Dat geeft meer duidelijkheid over de juridische ‘beren op de weg’ naar het nieuwe pensioenstelsel.

Door Leo Blom, juridisch beleidsadviseur