Verrassend collectief en solidair

3 personen met papieren

De verbeterde premieregeling is één van de twee contracten in het pensioenakkoord. Het andere contract, waarvoor u straks kunt kiezen, is nog ‘onder constructie’. Omdat de verbeterde premieregeling al is uitgewerkt, is dit een goed moment om eens de schijnwerpers te zetten op hoe de Wet Verbeterde Premieregeling (WVP) voor een pensioenfonds nu al in de praktijk werkt. In een pensioenfonds met zo’n verbeterde premieregeling zit namelijk verrassend veel solidariteit. Dat komt bijvoorbeeld doordat het pensioenfonds in dat geval collectief belegt. Bovendien is er geen onderscheid tussen de opbouw- en de uitkeringsfase nodig. Het pensioenfonds deelt in de uitkeringsfase alle risico’s. Maar de deelnemer heeft op pensioendatum wel de vrijheid om te kiezen voor een vaste of variabele uitkering. En om te kiezen voor een startuitkering op basis van een projectierendement om zo de lage rekenrente te omzeilen.

Pensioenfonds met verbeterde premieregeling belegt altijd collectief
Een pensioenfonds met een verbeterde premieregeling belegt collectief. Deelnemers hebben elk een kapitaal waarmee het pensioenfonds belegt volgens een of meer ‘lifecycles’. Bij een lifecycle hoort per leeftijd een verdeling van het kapitaal over zakelijke waarden, vastrentende waarden en matching. Het pensioenfonds kan zo door het beleggingsbeleid af te stemmen op een individu wel 5% welvaartswinst halen. Het fondsbestuur bepaalt hoe de vermogensbeheerder de lifecyclemodules invult. Het totaal van de kapitalen van de deelnemers telt op tot één groot collectief vermogen. Het fonds belegt dat totale vermogen ook collectief. Er zijn dus geen individuele beleggingen. Bij een uitkering via het pensioenfonds, kunnen de beleggingen in de uitkeringsfase in dezelfde modules blijven. Er is dan geen scheiding tussen de opbouw- en uitkeringsfase voor het belegde vermogen.

Verbeterde premieregeling in de praktijk deelt veel risico’s
Bij een premieregeling denken veel mensen aan een regeling met vrijwel geen risicodeling. In de maatschappelijke discussie wordt zo’n regeling ook wel een ‘kale’ WVP genoemd. Maar deze ‘kale’ variant bestaat in de praktijk niet. In verbeterde premieregelingen zijn in de opbouwfase verschillende risico’s verzekerd. Zoals het risico van overlijden voor de pensioendatum. Ook premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is geregeld. In de collectieve uitkeringsfase delen deelnemers van pensioenfondsen met een verbeterde premieregeling alle risico’s die ze in de huidige uitkeringsregelingen ook zouden delen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het renterisico, het beleggingsrisico en het risico dat een leeftijdsgroep samen langer leeft dan verwacht. De WVP is in de praktijk dus heel solidair. Vooral in de uitkeringsfase, het moment dat het er echt toe doet. Als binnen de WVP bovendien een solidariteitsvermogen mogelijk zou worden, dan is ook risicodeling met toekomstige generaties mogelijk.

Leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid: individuele keuze met sterke default
Het is niet verplicht, maar pensioenfondsen bieden in de praktijk aan hun deelnemers vaak de keuze uit meerdere lifecycles. Via de lifecycle kiest de deelnemer dan de beleggingen die passen bij zijn of haar risicobereidheid. Elke lifecycle leidt tot een bepaald verwacht pensioen. Offensieve lifecycles geven vaak het hoogste verwachte pensioen. Maar ook het risico op een lager pensioen telt zwaar mee. Dat maakt de meest risicovolle lifecycle vaak niet de meest optimale. Een pensioenfonds dat deelnemers keuzevrijheid biedt, moet hen dus goed begeleiden met keuzearchitectuur. Veel deelnemers vinden het ook dan nog moeilijk om te kiezen. Daardoor komen ze bij de default uit. Het pensioenfonds kiest daarom een default die met beide zaken rekening houdt. De risicohouding van het pensioenfonds bepaalt welke default past. De risicohouding van het pensioenfonds is gebaseerd op de risicobereidheid van de deelnemers. En dat kun je goed meten, waarbij het ook leuk is om te zien dat keuzes ten aanzien van risico’s variëren over de leeftijd. Je mag namelijk rekening houden met leeftijdsgroepen. Veel pensioenfondsen doen dat ook.

Deelnemer kiest tussen variabele of vaste uitkering
Bij verbeterde premieregelingen bieden pensioenfondsen vaak een collectief variabel pensioen aan. Er is een collectieve uitkeringsfase. Het pensioenfonds onttrekt ieder jaar een uitkering uit het vermogen. De hoogte van deze (variabele) uitkering wordt jaarlijks bepaald. De jaarlijkse uitkering hangt af van de hoogte van het vermogen, een projectierendement en de levensverwachting. Maar een deelnemer kan ook kiezen voor een vaste uitkering in plaats van een variabele uitkering. Als het pensioenfonds niet zelf een vaste uitkering aanbiedt, dan heeft de deelnemer ‘shoprecht’. De deelnemer kan daarvoor met zijn kapitaal naar een verzekeraar gaan. In de verbeterde premieregeling heeft een deelnemer daarmee altijd de keuze voor een uitkering die hem het beste past.

Met een hogere startuitkering omzeilt de deelnemer lage rente
Er is een hoop discussie over de in veel ogen te lage rekenrente. Het verwachte rendement is immers vaak hoger. De lage rekenrente was in 2016 ook de belangrijkste aanleiding om de WVP te introduceren. Met doorbeleggen is de rente op het moment van pensioneren immers niet meer alles bepalend. Een pensioenfonds met een verbeterde premieregeling kan toekomstig overrendement naar voren halen. Dat doe je met een hogere startuitkering, die berekend wordt op basis van een verwacht projectierendement. Het risico is dan wel dat de uitkering in de toekomst ook makkelijker kan dalen. Dat gebeurt als dat projectierendement niet wordt behaald. De deelnemer kan bij veel pensioenfondsen zelf kiezen of hij een hogere startuitkering wil of niet. Bij de hogere startuitkering kies je voor projectierendement. Deze mogelijkheid is echt van toegevoegde waarde in een verbeterde premieregeling, maar nog niet erg bekend.

Er is nu al een premieregeling met solidariteit
We wachten nog op het tweede contract in het pensioenakkoord. Maar het contract, dat er al is, de verbeterde premieregeling biedt via pensioenfondsen verrassend veel solidariteit. Door collectief te beleggen. En door risico’s te delen. In de uitkeringsfase wijkt die risicodeling niet af van wat fondsen met een uitkeringsregeling doen. Daarnaast is er voor de deelnemer veel keuzevrijheid. Hij of zij kan kiezen voor een vaste of een variabele uitkering. Bij de variabele uitkering kan hij of zij kiezen voor een hogere startuitkering door te rekenen met een verwacht projectierendement in plaats van de risicovrije rente.

Door Lieke Werner & Agnes Joseph