Laat bewoners studentenhuizen niet onder partnerdefinitie vallen

Pensioenfondsen hanteren voor partnerpensioen voor samenwoners verschillende criteria. Daardoor kun je bij de ene regeling wel en bij de andere regeling geen partnerpensioen hebben. Minister Koolmees stelt een wettelijke uniforme partnerdefinitie voor samenwoners voor. Hij gaat hiermee een stap verder dan de Stichting van de Arbeid. Die stelde een minimum definitie voor. Een heldere keuze van de minister. Zijn definitie kan nog wel scherper. Zo is het naar onze mening niet de bedoeling dat bewoners van studentenhuizen als partner gelden. Maar het lijkt ons wel goed om de ruimte te laten voor een partnerpensioen voor samenlevende broers en zussen.

Huidige partnerdefinities zijn onduidelijk …
Het partnerpensioen bij gehuwde of geregistreerde deelnemers is duidelijk. Deze partners zijn immers bekend via de Basisregistratie Personen. Ongehuwde, ongeregistreerde samenwoners staan niet in die registratie. Pensioenfondsen hanteren voor partnerpensioen voor samenwoners verschillende criteria. Daardoor kun je bij de ene regeling wel en bij de andere regeling geen partnerpensioen hebben. Dat geeft onduidelijkheid voor deelnemers en hun partners. Bij overlijden kan het zijn dat de overblijvende partner toch geen partnerpensioen krijgt.

… minimum partnerdefinitie is een goede stap …
De Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars stelden in januari 2019 meer uniformering in de partnerdefinitie voor. Partijen kozen voor een minimum partnerdefinitie. Zo blijft er contractsvrijheid en is er toch meer uniformering. Samenwonende partners die aan de minimum voorwaarden voldoen, komen in aanmerking voor partnerpensioen. Sociale partners mogen soepeler voorwaarden stellen. Voordeel is dat regelingen niet versoberen of duurder worden door de partnerdefinitie.

… maar uniforme partnerdefinitie geeft meer duidelijkheid …
Minister Koolmees kiest toch voor een uitgebreide wettelijke uniforme partnerdefinitie. Dat beperkt inderdaad de contractsvrijheid van sociale partners. Maar geeft meer duidelijkheid aan deelnemers en hun partners. De minister denkt aan de volgende wettelijke voorwaarden: 

  • partners met een duurzame huishouding op zelfde adres met notariële akte; 
  • samenwonen zonder notariële akte bij samenwonen op één adres voor langer dan 6 maanden; en
  • de partner is geen bloedverwant in de eerste of tweede graad.

… daarin zijn nog verbeteringen mogelijk …
In de notariële samenlevingsovereenkomst staat dat partners duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren. Dat is namelijk een fiscale eis. Dit element ontbreekt echter bij het tweede punt in de uniforme definitie. Daardoor vallen samenwoners in studentenhuizen nu onder dit partnerbegrip. Dat is niet de bedoeling. Verder vragen we ons af waarom partners in de tweede graad (broer en zus) uitgesloten zijn. Fiscaal komen namelijk alleen partners in de eerste graad (ouder en kind) niet in aanmerking voor partnerpensioen. Deze aanscherping wordt niet toegelicht. Terwijl het de bedoeling was duidelijkheid te geven. En niet om een groep uit te sluiten van partnerpensioen.

… ook een aanmeldplicht?
In het voorstel van Koolmees is er geen verplichte aanmelding van de partner. Een voordeel is dat dit veel verdriet bespaart bij de overblijvende partner als de deelnemer vergeten is de partner aan te melden bij het pensioenfonds. Daar tegenover staat dat het pensioenfonds dan niet weet wie voor partnerpensioen in aanmerking komt. De overblijvende partner krijgt geen partnerpensioen als hij het niet aanvraagt.

Wij zijn groot voorstander van een uniform partnerbegrip.
Het voorkomt dat onduidelijk is, wanneer iemand in aanmerking komt voor een partnerpensioen. Maar de uitwerking moet scherp zijn om onbedoelde effecten en onnodig verdriet uit te sluiten.

Leo Blom, juridisch beleidsadviseur