Wettelijke maatstaven risicohouding kunnen op 5 punten beter

De Wet toekomst pensioenen (Wtp) introduceert 3 wettelijke maatstaven risicohouding: de verwachtingsmaatstaf, de lange termijn risicomaatstaf en de risicomaatstaf jaar-op-jaar. Pensioenfondsen die aan de slag gaan met de implementatie van deze maatstaven lopen echter tegen praktische problemen én principiële bezwaren aan. We zien dat de maatstaven op 5 punten onlogische of zelfs contraproductieve uitkomsten tonen. Met gerichte aanpassingen werken de maatstaven wél.
Door Arno van Mullekom, actuaris
1. Onlogische modelkeuzes
Nominaal versus reëel
De verwachtingsmaatstaf vergelijkt het gekozen beleggingsbeleid met een hypothetisch risicovrij reëel beleggingsbeleid (HGRB). Dat is onlogisch, want de flexibele premieregeling rekent immers met een nominale DNB-UFR rekenrente. De verwachtingsmaatstaf zet hierdoor een reële doelstelling af tegen een nominale werkelijkheid.
Inflatie: vast of looptijdafhankelijk?
De verwachtingsmaatstaf gebruikt één vast inflatiepercentage per DNB-scenario, die over alle looptijden gelijk blijft. Maar er is ook een reële rentetermijnstructuur met inflatiepercentages die per looptijd verschillen. Dat is onlogisch. Verschillende benaderingen gevennamelijk verschillende uitkomsten voor eenzelfde maatstaf.
Nederlandse versus Europese inflatie
De verwachtingsmaatstaf gebruikt de Nederlandse prijsinflatie, terwijl de reële rentetermijnstructuur in de DNB-set uitgaat van de Europese inflatie. Dat is onlogisch. Waarom niet consequent dezelfde systematiek?
2. Onbegrijpelijke, onlogische en onvolledige maatstaven
Moeilijk uit te leggen
De verwachtingsmaatstaf is lastig te interpreteren. Probeer maar eens aan een deelnemer uit te leggen wat deze maatstaf precies meet en waarom die uitkomst goed of slecht is. Daarbij worden meerdere elementen tegelijk vergeleken, zoals de mate van koopkrachtbehoud en de beloning voor het nemen van risico.
Beter beleid wordt (soms) afgestraft
De lange termijn risicomaatstaf kijkt naar het verschil tussen een mediaan scenario en slechtweer scenario. Dat is onlogisch. Als zowel de uitkomst in de mediaan en slechtweer verbeteren, dan kan dit objectief betere beleid namelijk toch worden afgekeurd. Dit gebeurt wanneer de mediaan meer is gestegen dan het slechtweer. Het verschil tussen mediaan en slechtweer is dan gegroeid.
Voorbeeld:
- Beleid A: geeft een mediaan van €1.200 en slechtweer van €1.000 (verschil: €200).
- Beleid B: geeft een mediaan van €1.400 en slechtweer van €1.100 (verschil: €300).
Beleid B is in beide scenario's beter, maar wordt afgekeurd omdat het verschil tussen mediaan en slechtweer bij beleid B groter is. Dat is niet logisch. Dit probleem kenden we overigens ook al in het FTK.
Schommeling vs. Uitkeringsniveau
De lange termijn risicomaatstaf meet alleen schommelingen van pensioenuitkeringen en kijkt niet naar absolute uitkeringsniveaus. Je kunt daardoor aan de maatstaf voldoen met dramatisch lage uitkeringen, zolang ze maar stabiel zijn.
Waarom twee aparte maatstaven?
Een aparte verwachtingsmaatstaf én risicomaatstaf maakt het vinden van passend beleid een lastige puzzel. Je zou in plaats daarvan kunnen volstaan met één geïntegreerde maatstaf met minimale mediaan (verwachting) en maximale afwijking in slechtweer (risico). Dit is vergelijkbaar met de haalbaarheidstoets.
Geen link met pensioendriehoek
De maatstaven sluiten niet aan bij de pensioendriehoek van ambitie-kosten-zekerheid. De uitkomsten zien namelijk enkel toe op het element risico. Het zegt verder niets over de ambitie en de kosten/premie bij het gekozen risico. Ook is het heel lastig om vanuit de maatstaven risicohouding terug te rekenen naar de elementen ambitie en kosten uit de pensioendriehoek.
3. Fundamenteel verkeerde/perverse prikkels
Als rendementen dalen, moet je meer risico nemen?!
Dit is het meest kritieke probleem: wanneer prospectieve rendementen dalen, daalt de verwachtingsmaatstaf. Om aan je minimum verwachtingswaarde te kunnen voldoen word je gedwongen risicovoller te beleggen. Dat is onlogisch. Juist wanneer rendementen structureel lager liggen zou je immers voorzichtiger willen beleggen, niet risicovoller. Een perverse prikkel.
Aandelenrendementen bewegen niet mee
De DNB-scenarioset heeft geen goed werkend mechanisme om de toekomstige risicopremie op aandelen te bepalen. De Commissie Parameters kijkt hier slechts eens per 5 jaar naar. Omdat het aandelenrendement begrensd is op 5,4% (voor kosten), daalt de risicopremie automatisch wanneer de rente stijgt. Dat is onlogisch. In werkelijkheid signaleert een stijgende rente vaak economische kracht waarbij aandelenrendementen ook stijgen. Dit dynamische meebewegen zit helaas niet in het model.
Te gevoelig voor risicopremie
Door een begrenzing op het aandelenrendement in combinatie met een variabele rente vertroebelt de risicopremie. Deze vertroebeling werkt door in de verwachtingsmaatstaf.
4. Praktische toepasbaarheid
Shoprecht maakt toekomst onzeker
Een 25-jarige wordt doorgerekend voor zijn volledige levensloop, inclusief de uitkeringsfase. Die persoon heeft echter shoprecht op pensioendatum in de flexibele premieregeling. De uitkeringsfase is dus onzeker. Deze keuze is echter verdedigbaar vanuit de gedachte dat enkel default beleid wordt getoetst.
Voor 95-jarigen irrelevant
Bij hogere leeftijden is het biometrisch rendement (overlevingsrente) veel hoger dan het beleggingsrendement. Voor een 95-jarige is de beleggingsmix nauwelijks nog relevant en wordt vooral overlevingsrendement bijgeschreven. De maatstaven houden hiermee echter geen rekening.
Slapers scoren hoger dan actieven
In de berekening hebben actieven zonder premie-inleg een hogere verwachtingsmaatstaf dan actieven die wél premie betalen. Dat is onlogisch.
5. Overbodig
Jaar-op-jaar maatstaf achterhaald
De korte termijn risicomaatstaf voor spreidingsmechanismen lijkt overbodig. Inmiddels kiest bijna ieder pensioenfonds ervoor om schokken te spreiden over meerdere jaren. Dat komt niet tot uitdrukking in deze maatstaf en maakt daarmee deze maatstaf overbodig.
Conclusie: van onlogische naar bruikbare maatstaven
De wettelijke maatstaven moeten deelnemers beschermen en fondsen helpen om een passend beleid te voeren. Maar de praktijk laat zien dat de maatstaven op te veel punten niet werken: van fundamentele ontwerpfouten (perverse prikkels bij dalende rendementen) tot modelinconsistenties en praktische bezwaren.
Met gerichte aanpassingen kunnen we tot maatstaven komen die consistent zijn in modelkeuzes, de juiste prikkels geven, praktisch toepasbaar zijn, uitlegbaar zijn aan deelnemers en niet onnodig complex. We staan aan het begin van de transitie. Dit is een goed moment om gericht bij te stellen. De genoemde bezwaren zijn concrete aanknopingspunten voor verbetering.